Wat niet kan moet toch kunnen

Het schilderen en tekenen zit Anne van As niet in de vingers, maar in het hoofd. Vooral als het niet lukt, als ze het beeld dat haar voor ogen staat niet uit de verf krijgt, ervaart ze de absolute noodzaak om te maken wat zij zich voorstelt. Wat niet kan, moet tóch kunnen. Als ze een portret maakt, dan schildert ze niet wat ze uiterlijk waarneemt, maar de onontkoombaarheid van een menselijke verhouding: de onmogelijkheid om daaraan voorbij te gaan en die ten koste kan gaan van jezelf. Anne van As schildert de mogelijkheden van de beperkingen die het leven haar stelt. Ze zet zich er in het schilderij niet tegen af, al is een enorm verzet wel de aanleiding voor veel van haar werk. In haar werk verzet ze die gesteldheid, die onmogelijkheid, die barrière.
Het zijn vermeende veronderstellingen die ze in het schilderen en tekenen bevecht. In haar werk zet ze misvattingen recht. Er is een impulsieve kracht, een emotionele gewaarwording die onmiddellijk en heftig is, die haar confronteert met de consequenties van de keuzes die ze in het leven maakt en met de principes waar ze naar leeft, die ze gestalte wil geven. In het begin van haar kunstenaarschap doet ze dat vrijwel net zo direct en dynamisch als het leven haar overkomt in een gepassioneerde lyrische afbeelding, maar inmiddels geeft ze er in een bedachtzaam proces een doordachte verbeelding van. De letterlijke beeldtaal van haar vroege werk heeft haar hand en denken als beeldend kunstenaar getraind en haar basisconditie gegeven, die van het kunstenaarschap als zodanig. Haar uithoudingsvermogen heeft ze daarmee dusdanig opgebouwd, dat ze in de uitvoering van schijnbaar onmogelijk opdrachten - die enerzijds voor zichzelf afdwingt en die haar anderzijds volkomen overvallen – geen duel schuwt, noch met zichzelf, noch met de buitenwereld.
De schilderijen van Anne van AS zijn heel dun, laag over laag, in olieverf geschilderd. Hoe translucent de doeken ook zijn, het beeld komt te voorschijn uit een geschakeerde ondergrond. Ze verraden in de techniek niet de radicale kunstenaar die ze in feite is. De consequentie van haar beeldend denken uit zich in het overbruggen van directe, persoonlijke betrokkenheid en ongenaakbare afstand. Dat karakter van onbarmhartig mededogen ten aanzien van zichzelf, komt tot uiting in de manier waarop haar schilderijen van kinderen geen portretten zijn; ze tonen de wisselwerking tussen de manier waarop een kind de wereld van volwassenen ziet en de volwassene die projectie van het kind daarin niet kan plaatsen en deze doelbewust tot een andere realiteit rekent.
De zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de schilderijen zijn vanzelfsprekend en bedreigend. Van As zoekt naar een intense verstandhouding tussen van wat zij schildert en wat de kijker daarin wenst te zien. Die kan er zijn schouders over ophalen, want de verantwoordelijkheid die de kijker aangaat is inwisselbaar, afhankelijk van de omstandigheden van de waarneming, terwijl die van de schilder onvoorwaardelijk gebonden is aan de condities die het schilderij stelt: in alles wat een ander er van vindt, is voor Van As het beeld onontkoombaar. Dat besef krijgt in haar werk de gedaante van gelouterde onschuld die omzichtig uit de verf ontstaat en die niemand onverschillig kan laten. Je kunt er van houden en er enorme hekel aan hebben, en dat nog gelijktijdig ook. Anne van As schildert in de lagen over elkaar heen alle misvattingen weg tot een beeltenis ontstaat die de kijker een argeloze status geeft. De onschuld zit in zijn blik; het beeld is een aanklacht tegen die naïviteit, een beschuldiging van de eigen onwetendheid.

 

De kunstenaar en zijn leven zijn geen communicerende vaten; ze vullen elkaar niet in een eindeloos evenwicht voordurend aan. Altijd oefent het één onweerstaanbare druk uit op het ander en er is geen veiligheidsventiel, geen smoorklep waaruit de overdruk kan ontsnappen: er is alleen de vervluchtiging van terpentijn waarmee de verf wordt verdund. Er gaat een zeker ongemak schuil achter de ingehouden concentratie, het hopeloze geduld en de liefde waarmee Van As de verf op het doek poetst. In vrijwel ieder schilderij zijn er bijna getekende details die contrasteren met het geschilderde aanzicht. Daarmee bewijst ze de scherpte van haar blik. Ze ontziet in haar schilderijen vooral zichzelf niet. Ze schildert pijnlijk precies waaraan het haar ontbreekt: rust, tijd, aandacht. En dat doet ze door voor haar werk de ontbrekende tijd te nemen, rustig en aandachtig. Daarmee schildert ze niet naar de waarneming, maar naar de ervaring.
Aan haar ervaring van ontreddering, wantrouwen, verraad en gedwongen berusting is geen ontkomen in haar recente schilderijen van beesten die er nooit zo uit kunnen zien als zij ze schildert. De dolfijn, ijsbeer, de hond, het rendier, het hert, het konijn heeft ze in haar schilderijen met geschilderd huid en haar op sterk water gezet. Ze snijdt pootjes af, de verhoudingen kloppen niet, sommige dieren zijn zo ongemakkelijk naakt als alleen mensen kunnen zijn, en er gaat van die geschilderde wezens een niet mis te verstaan verwijt uit. Ze wijzen op een verantwoordelijkheid die er gezamenlijk zou moeten zijn, maar die door een partij eenzijdig wordt opgezegd. Het vertrouwen is zoek in die lege dierenblikken. De werkelijkheid is in dit werk onontkoombaar, omdat die buiten het schilderij een heel andere, misleidende gedaante heeft. Anne van As knuppelt die schijnwerkelijkheid als een babyzeehond dood, stroopt hem de huid af en trekt die over de mal heen die uiteindelijk haar schilderij zal worden. Ze toont geen enkel medeleven, niet met zichzelf en niet met de medeverantwoordelijken voor de ontstane situatie. Alles wat zich in deze schilderijen als lieflijk voordoet, is een vergissing van de kijker. Hij kijkt de misvatting van zijn eigen gelijk recht in het gezicht. Dit is geen dierenrijk waarin het principe van the survival of the fittest alles bepalend is, maar een geschilderde wereld waarin zinloos afgeschoten wild als levende doden hun eigen jacht openen.
Anne van As is een kunstenaar die op voorhand nauwelijks wordt toevertrouwd wat ze in haar schilderijen waarmaakt. Zo gaat het haar hele leven. Ze is in staat tot een meedogenloze blik op momenten dat iedereen compassie en meegaandheid verwacht. Dat zit er niet in. Ze is net die ijsbeer in haar schilderij die gracieus en koudwatergroen met rondzwemmende ogen onder het ijsoppervlak door het water danst; als ze bovenkomt, is het om een bloedend prooi op de besneeuwde oever te slaan. En die prooi zijn wij.

Alex de Vries 2003
(tekst bij uitgave in eigen beheer)